Viktor Rydbergs gedicht ‘Lukanus marterad’

Door al die blogs over kattenselfies zou je bijna kunnen denken dat wij niet zo veel aan het studeren zijn hier in Uppsala. Maar niets is minder waar! Afgelopen twee weken was het tijd voor tentamens en in de tussentijd wordt er ook nog gewerkt aan mijn scriptie over Lucanus. Dit is misschien niet de meest typische Zweedse naam ooit, maar dat is ook niet gek voor een Romein. Want behalve mijn studie hier moet ik ook mijn andere scriptie schrijven over de receptie van Lucanus. Maar toch is het niet helemaal zo dat Lucanus niets met Zweden te maken heeft, want hij was ook een inspiratiebron voor Viktor Rydberg, één van de meer bekendere Zweedse auteur (en theoloog) uit de 19e eeuw.

Hoewel ik nog nooit één werk helemaal uitgelezen heb, is Rydberg toch één van mijn favoriete Zweedse auteurs. ‘Als een boek niet ruim 400 pagina’s heeft, is het geen boek’ lijkt wel Rydbergs levensmotto geweest te zijn, maar omdat hij heel mooi over hele interessante onderwerpen schrijft is het zeker wel de moeite waard er eens voor te gaan zitten. Den siste Athenaren is een aanrader, al moet ik eerlijk bekennen dat ik ook daar nog niet over de helft ben.

Maar gelukkig hadden de meeste grote auteurs van hun tijd al rekening gehouden met het drukke schema van de 21ste-eeuwse student en hebben ze ook wat kortere, maar daarom niet minder interessante gedichten geschreven. In één van zijn gedichten staat Rydberg uitgebreid stil bij de dood van Lucanus. De Romeinse schrijver was ter dood veroordeeld nadat hij zich had aangesloten bij de samenzwering van Piso om keizer Nero te doden – dezelfde keizer waarvoor hij eerder een groot lofdicht had geschreven. In dit gedicht verwijst Rydberg naar Lucanus’ grootste dichtwerk, namelijk de Bellum Civile (of Pharsalia). Maar volgens Rydbergs gedicht zou Lucanus op zijn sterfbed er juist spijt van hebben gehad dit gedicht te hebben geschreven en dat hij geen ander soort gedichten had geschreven.

Hoewel ik dit gedicht een hele leuke vorm van Lucanus-receptie vind, is er in mijn scriptie helaas geen ruimte om nog even een tijdsprong van 300 jaar te maken. Maar omdat ik jullie dit hoogstandje toch niet wilde onthouden, heb ik het gedicht hier maar op m’n blog geplaatst.

 

 

Lukanus marterad
– han sjunger, medan bödlarne pina honom

Att dö för det, som ger ett värde åt vårt liv,
det är en vacker död, en maratonisk lek.
Att dö för Neros bödlar på en pinobänk
och få till eftermäle: “han var Neros vän”
är mer än plågsam död – en självförvållad skam,
som icke hugnas av att kvalen lösa upp
på samma gång som livets band min sångs.

För den, som hunnit fram till Hadesdjupets rand,
hur annorlunda tar sig livets väg än förr!
Jag fann det stort att våga invid Cesars tron
besjunga Katos strid för fädrens republik,
vars frihet var ett ok, på slavens skuldra lagt.
Nej, det var fegt. Jag skulle lytt mitt hjärtas bud,
jag skulle sjungt en konstlös och förtvivlad dikt,
sjungt den på torg och gator till förtvivlans barn:

Upp, slavar, mina bröder! Upp till kamp och död
för eder frihet, arvingar av Spartakus!
Upp, slavar, mina bröder! Upp till kamp och död
för edra barns och mänsklighetens frihetsstat!
Vad mer, om jag i sångarlön fått korsets död?
Att dö för det, som skänker värde åt ett liv,
det är en vacker död, en maratonisk lek.

Nu kan jag blott i takt med bödelstängers grepp,
i takt med kvalens dova rytmer sända ut
mitt länge bundna hat, min vrede, mitt förakt
för all den smuts, som världen kallar ren,
för all den världens storhet, som är låg,
och han skall tystna in sin första frihetsstund,
den från sin boja lösta sången, då mitt bröst,
som länge halvförkvävt har andats lögnens luft,
sig häver upp atletiskt brett och sänder ut
i glödhet dallring ur sitt hjärtas strängaspel,
just som det brister, harmen mot mig själv,
som tvang min sångergenius gå med kedjad fot.

Det skymmer för min syn, knappt kan jag sjunga mer;
men hör mig, sångare, som kommer efter mig!
Sjung ljuvt för hjärtan, som behöva vila ut,
men giv din sång ett brännjärn även i dess hand
att sveda i det uslas kött dess märke in!
Den bödelstjänsten är en kärlekstjänst
mot oss, eländets barn, vi bäre slavens ked,
senatorens toga eller Cesars diadem.

Låt histrioner jollra till sitt strängaspel
om Lesbia, Delia, Lydia, Kloris, Korydon;
men du, sjung du som folkens skald från Nasaret,
förkunna riket, där den minste ställes främst,
låt hägra fram för trälens syn Astreas stat,
bjud honom bygga upp rättfärdighetens Rom,
på ödemurarna av skändlighetens Rom,
och tag, som folkens store skald från Nasaret,
förtröstansfullt din lön i hån och nöd och död!

Slav är envar, ha Stoas vise sagt,
som ej behärska lärt sitt öde och sig själv.
Slav var jag; nu, ack sent, för sent jag vet mig fri
och andas ut min själ i detta maningsrop:
framåt, du frie skald, framåt, framåt, soldat
i mänsklighetens tjänst! Igenom nöd och kval
framåt och dö med glädje på din sköld!

 

Lucanus’ martelaarsdood
– hij zingt terwijl de beul hem pijnigt

Te sterven daarvoor, wat waarde aan ons leven geeft,
dat is pas een mooie dood! Dat is een glorieus spel.
Te sterven op de pijnbank bij de beulen van Nero
en dan van het nageslacht te horen krijgen: “Hij was Nero’s vriend!”,
dat is een meer dan pijnlijke dood – een zelfveroorzaakte schande,
een dood die deze pijn niet ten einde laat zijn
wanneer met mijn leven ook mijn gezang wordt beëindigd.

Wanneer iemand voor de tocht naar de Hades staat,
hoe anders dan eerder aanschouwt hij dan zijn levenslot!
Ik vond het moedig en gewaagd om naast de troon van Caesar
de strijd van Cato voor de Republiek van onze vaderen te bezingen.
Maar onze vrijheid was een juk gelegd op de schouders van slaven.
Nee wat ik deed was laf. Mijn verlangens had ik moeten laten horen.
Ik had een eenvoudig en wanhopig lied moeten zingen,
zingen op het plein en in de straten voor kinderen van de wanhoop.

Te wapens, slaven, mijn broeders. Op naar de strijd en de dood
voor jullie vrijheid, jullie erfgenamen van Spartacus!
Te wapens, slaven, mijn broeders. Op naar de strijd en de dood
voor een vrije staat voor jullie kinderen en de mensheid!
Wat wil ik nog meer om als zanger gekruisigd te worden
dan te sterven daarvoor, wat waarde aan ons leven geeft,
Dat is pas een mooie dood! Dat is een glorieus spel.

Nu kan ik slechts op de maat van de greep door de beul,
op de maat van de doffe dreunen mijn kwelling bezingen,
mijn lang opgekropte haat, mijn woede, mijn verachting
voor alle vuiligheid die de wereld schoon noemt,
voor alle grootsheid van de wereld, dat eigenlijk maar klein is.
En hij zal zwijgen zodra het moment van zijn vrijheid daar is.
Hij die dit lied brengt vanuit zijn ketens; wanneer mijn borst,
die lange tijd slechts half gestikt de lucht van de leugen inademde,
zich breed maakt als een atleet en dan uitademt als
een gloeiend hete trilling van het snarenspel van zijn hart,
precies alsof het breekt, die wrevel tegen mijzelf,
waardoor mijn zangerstalent er slechts was als een blok aan mijn been.

Het schemert voor mijn ogen, nauwelijks kan ik nog zingen;
maar hoor mij nu, zangers die na mij zullen komen!
Zing aangenaam voor het hart, zodat die uit kan rusten;
Maar geef je lied een brandijzer in de hand
om deze woorden te verschroeien in het armzalige vlees!
Deze dienst van de beul is er een van liefde voor ons,
kinderen van de ellende, wij dragen de ketting van slavernij,
de toga van de senator of de diadeem van Caesar.

Laat toneelspelers maar murmelen bij hun snarenspel
over Lesbia, Delia, Lydia, Chloris en Corydon;
Maar jij, zing zoals de zanger van het volk uit Nazareth,
verkondig het rijk, waarin de nietigste vooraan staat,
toon de staat van Astrea aan het gezicht van de slaaf,
moedig hem aan een rechtvaardig Rome te bouwen
op de noodlottige muren van het schandelijke Rome,
en ontvang, net zoals de grote volkszanger uit Nazareth,
vertrouwensvol je loon in hoon, nood en dood!

“Iedereen is een slaaf”, heeft een wijze Stoïcus gezegd,
“die niet geleerd is zijn lot en zichzelf te beheersen.”
Ik was een slaaf, nu ben ik vrij, laat, veel te laat,
en breng ik uit mijn ziel deze hartenkreet:
Vooruit, jij vrije zanger! Vooruit!  Vooruit soldaat
in dienst van de mensheid! Door nood en kwelling
vooruit! En sterf met plezier op je schild!