Niemand weet dat ik geen Gyllenstierna heet

Ik houd van geschiedenis en ik houd van historische letterkunde! En daar zijn heel veel redenen voor, maar één van de belangrijkste zijn de prachtige verhalen en anekdotes.

Verhalen over knettergekke filosofen (zoals Diogenes Laërtius, van wie het de diepste wens was dat Alexander de Grote uit zijn zonlicht zou gaan), fantastische parabels (zoals die van Aesopus). Prachtige historische anekdotes die soms niet helemaal historische correct zijn (de 300 van Sparta), sommige die juist wel historische correct zijn maar bijna even ongeloofwaardig (een leger laten marcheren over bevroren zeestraten bijvoorbeeld). Om dan nog maar te zwijgen over de meest geweldige oorsprongsmythen (van Romulus en Remus tot de gezonken stad Atlantis … in de Oostzee nabij Zweden) en over het meest verstommende (letterlijke verstommende) taalkundige onderzoek ooit door de Egyptische farao Psammetichus.

Gast! Je mag dan wel de halve wereld veroverd hebben, maar ga eens even snel uit mijn zon!

In de categorie prachtige verhalen horen ook deze twee anekdotes die wel wat met elkaar te maken hebben: de Cyclopen-passage uit de Odysée en het verbluffende levensverhaal van één van de grootste Zweedse dichters van de 17e eeuw.

Na de Trojaanse oorlog probeerde de Griekse held Odysseus snel weer naar huis terug te keren, maar dat ging niet helemaal zoals gepland. Hij heeft er maar liefst tien jaar over gedaan om die tocht af te leggen omdat er steeds weer hindernissen opdoken. Eén van die hindernissen was het eiland van de Cyclopen, reusachtige wezens met maar één oog. Ze leefden er over het algemeen van schaapjes, maar toen Odysseus en zijn makkers aankwamen op het eiland zag één van de cyclopen in hen een lekker feestmaal. Toen Odysseus deze cycloop Polyphemos voor het eerst ontmoette had hij al niet zo’n best voorgevoel en toen Polyphemos hem vroeg hoe hij heette antwoorde hij: “Oudenos“. Met een beetje fantasie zou je daar de naam Odysseus in kunnen zien, maar het is gewoon Grieks voor “Niemand”. En het is maar goed dat Odysseus zo vooruitziend was…

Odysseus en Polyphemos op een vaas.

Want toen Polyphemos Odysseus en zijn makkers had opgesloten in zijn grot, sloeg hij één van hen te pletter op de grond. Dit is trouwens een geweldige (en gewelddadige) passage in de Odyssée, maar omdat mensen deze blog ook zouden kunnen lezen terwijl ze aan het eten zijn, houd ik het maar bij ‘te pletter slaan’.

Odysseus wil natuurlijk koste wat het kost ontsnappen en samen met zijn makkers bedenkt hij een plan. Als de cycloop slaapt, steken ze samen een paal door het enige oog van Polyphemos en die is natuurlijk op slag blind. En ook een beetje boos. Een beetje erg boos. En hij brult alle cyclopen van het eiland bij elkaar. Verschrikt vragen zij zich af wat er aan de hand is, waarop Polyphemos roept: “Niemand wil mij vermoorden! Niemand wil mij vermoorden met een list!”. En ja, als toch niemand je wil vermoorden, heb je de hulp van je mede-cyclopen toch niet nodig en die gingen dus weer rustig weg.

Door deze listige woordkeuze wist Odysseus dus zichzelf en een groot deel van zijn makkers te redden uit de handen van de Cycloop. Maar er is altijd een baas boven baas als het om grappen met een naam gaat en de grootste baas is ongetwijfeld de 17e-eeuwse Zweedse auteur Lars Wivallius.

Wivallius werd geboren omstreeks 1605 in Vivalla. Hij kwam uit een boerengeslacht en zijn ouders hadden niet bijzonder veel geld. Maar ondanks dat kon hij toch gaan studeren aan de universiteit van Uppsala. Hoewel hij een meer dan prima student was, verbleef hij maar korte tijd in Uppsala en gedurende de 30 jarige oorlog reisde hij door een groot deel van Europa. Maar zoals gezegd was daar eigenlijk geen geld voor. In feite werd hij min of meer een zwerver die overal geld leende om zijn reizen te kunnen betalen, maar eigenlijk nooit over geld beschikte om zijn leningen terug te betalen.

Om het leven wat dragelijker te maken, besloot Wivallius in het buitenland onder een andere naam verder te gaan, namelijk die van Svante Stenbock. Stenbock was een adellijke familie die woonden in het Torpa stenhus, vlakbij de destijdse grens tussen Zweden en Denemarken, maar nog wel in Zweden. Het duurde niet lang voordat Wivallius door de mand viel, maar dat weerhield Wivallius niet om deze truc nog een keer uit te halen. En deze keer een stuk slimmer!

Het kasteel waar Wivallius alleen maar van mocht dromen dat hij er zou wonen

Sindsdien ging Lars Wivallius door het leven als ‘friherre Erik Gyllenstierna’. De titel Friherre duidt erop dat je van een adellijke familie bent en Wivallius koos niet voor de minste adellijke familie in Zweden. De Gyllenstierna’s behoren tot de oudste adellijke familie’s van Zweden en hadden politiek gezien bijna overal wel een vinger in de pap.

Onder deze naam reisde Wivallius naar Skåne (toen nog net Denemarken) waar hij op een feest de zeer vermogende Ulf Grip en zijn dochter Gertrud ontmoet. Ulf Grip is meteen gecharmeerd van deze ‘Gyllenstierna’ en moedigt zijn dochter aan met Wivallius te trouwen. Wivallius denkt dat hij beet heeft en bereidt zich voor op het huwelijk. Maar Ulf Grip wil ook wel dat andere Gyllenstierna’s bij de bruiloft betrokken worden. Daar dreigt het mis te gaan en hij trouwt snel in het geheim met Gertrud.

Maar op dat moment is het bedrog van Wivallius al aan het licht gekomen en hij besluit te vluchten naar Stockholm. Lang van zijn rijkeluisleventje heeft hij dus niet kunnen genieten. En het werd alleen maar erger toen hij tijdens een bezoek aan Kristianstad betrapt werd.

Maar nu komt de grap.

Toen Wivallius zichzelf moest verdedigen, zei hij dat hij zich van geen kwaad bewust was. Hij had toch nooit beweerd een Gyllenstierna te zijn. De rechters wierpen daar tegenin dat hij zich toch altijd geïntroduceerd had met “Jag är Erik Gyllenstierna”?! Welnee, zei Wivallius daarop. Hij had zich juist al die tijd voorgesteld als “Jag er ikke Gyllenstierna”. Deens voor – je raadt het al: “Ik ben niet Gyllenstierna”.

Een prachtige woordspeling, maar helaas voor Wivallius trapte de rechters er niet in en werd hij alsnog tot een gevangenisstraf veroordeeld. Jammer van Wivallius, maar gelukkig voor ons want het is met name tijdens zijn periode in de gevangenis dat Wivallius veel van zijn gedichten schreef.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *