Naar het streekmuseum in Eersel

Nadat ik mijn eindexamen gehaald had en begon aan mijn studie Oudheidkunde, heb ik een tijdje meegewerkt in het lokale museum voor geschiedenis: het Eicha-museum. Het is een klein museum waarin (pre-)historische vondsten uit Bergeijk worden tentoongesteld om op die manier de geschiedenis van het dorp te tonen.

Van veel leeftijdsgenoten hoorde ik toen dat zij eigenlijk nog nooit een bezoek gebracht hadden aan dit museum. Dat vond ik – en vind ik nog steeds – heel raar: op school leer je de geschiedenis van Nederland, Europa en de wereld, maar van de geschiedenis van je eigen dorp leer je eigenlijk helemaal niets. Zonde!

Een dorp verderop, in Eersel, is ook een museum voor lokale geschiedenis te vinden waar het Kempische boerenleven centraal staat. In 2014 won dit museum zelfs de ANWB-prijs voor leukste uitje in Noord-Brabant.

Maar nu moet ik hier heel eerlijk bekennen dat ik daar nog nooit geweest was. Niet op de basisschool, niet tijdens de geschiedenislessen op de middelbare school (in hetzelfde dorp gelegen nota bene), maar ook nog nooit tijdens mijn studie. Ter verdediging van mijzelf ligt de focus van dit museum niet op de oudheid of middeleeuwen zoals het Eicha museum, maar op de laatste 100 jaar. In eerste instantie dus niet echt mijn grootste interesse-gebied, maar als geschiedenis-fanaat had ik er toch eigenlijk wel een bezoek aan mogen brengen.

En toen belde mijn oma afgelopen week uit het niets op! De 50+groep van de kerk zou een bezoek gaan brengen aan het Streekmuseum en zij zou daar graag naar toe gaan, maar ze wist nog niet of dat allemaal zou kunnen. Met één van haar kleindochters erbij zou er natuurlijk geen bezwaar meer zijn. Dus toen had ik ineens twee hele goede redenen om naar het museum in Eersel te gaan!

En zo geschiedde! Woensdagochtend stond ik dus als enige 50-minner (zoals mijn oma het zo mooi noemde) tussen de leden van de 50+groep en vertrokken we naar Eersel. Daar aangekomen werden we in een typische Brabantse boerderij omgeven door Brabants bont door typische Brabanders verwelkomd met een stuk echte Limburgse vlaai.

Tijdens het filmpje dat op de achtergrond speelde, werd mij al snel duidelijk dat ik me te midden van deze 50+’ers in een ideaal gezelschap bevond voor een rondleiding door de boerderij. Aangezien de meesten zelf ook opgegroeid waren op een dergelijke boerderij werd het filmpje al snel van extra commentaar voorzien. Dat bleef ook zo tijdens de rondleiding. De gids wist zelf veel te vertellen over het oude Kempische leven, maar heeft waarschijnlijk ook nog een opgestoken van alle anekdotes die verteld werden.

Mijn Brabantse woordenschat is ook wat groter geworden tijdens deze ochtend. Van ne Goeikamer had ik nog nooit gehoord en het verhaal van ‘t Nekkermenneke had ik ook nooit eerder gehoord.

Ook was er een speciale tentoonstelling Wat de pot schaft over de geschiedenis van het eten in de Kempen. Bij het zien van de typische Brabantse kost van een 100 jaar terug (inclusief sigaren – want de sigarenindustrie was 100 jaar terug nog heel belangrijk voor de Kempen -en neut) ben ik toch blij dat ik mijn boodschappen gewoon bij de Jumbo mag doen. Al zou ik wel liever zout uit België het land binnensmokkelen om je eten in te kunnen maken zoals de Kempenaars toen deden, dan het witte poeder dat nu gesmokkeld wordt mee de grens over nemen.

Van al dat ‘lekkers’ hadden oma en ik zelf ook trek gekregen. Na afloop van het bezoek aan het museum hebben we daarom in het centrum van Eersel een terrasje opgezocht. Een mooi en lekker einde (zonder al te veel zout) van een heerlijke, zomers ochtend! Want wat hebben we toch geboft met het prachtige week afgelopen week!

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *